Componenten voor de besturing van een modelzwever

Componenten voor de besturing

Voor de besturing van een modelzwever zijn de volgende componenten nodig:
* Zender, die de bedieningsacties van de piloot (sticks en schakelaars) vertaalt in instructies en deze naar de ontvanger in de modelzwever stuurt.
* Ontvanger, die de instructies van de zender krijgt en doorgeeft aan verschillende apparaten.
* Servo’s, die een signaal van de ontvanger omzetten in bewegingen.

Zender en ontvanger

Bij het aanschaffen van een zender is het advies voor de beginnende modelvlieger te kijken welke zenders de andere clubleden gebruiken. Het is dan ook gemakkelijker om eventueel gebruik te maken van een leraar/leerling koppeling van zenders. Daarnaast kunnen clubleden met dezelfde zender je eventueel verder helpen met de bediening en functies van de zender.


Tegenwoordig worden alleen nog de 2,4 GHz zenders met ontvangers verkocht. Ze zijn zeer betrouwbaar. Dergelijke radiobesturingen houden rekening met andere zenders binnen de frequentieband. Zo kun je gerust je zender aanzetten zonder iemand anders te storen of door iemand gestoord te worden. Koop een zender met voldoende kanalen, modelgeheugens en instelmogelijkheden.

De ontvanger in je modelvliegtuig is in feite de partner van je zender. De ontvanger krijgt de signalen van je zender, verwerkt deze en geeft deze door aan de servo’s en eventuele andere elektrische apparatuur. De ontvanger moet dus van een type zijn dat kan samenwerken met je zender. Bij de koop van een zender wordt ook vaak een bijbehorende ontvanger meegeleverd.

Ontvanger antenne

Elektrisch geleidende voorwerpen, zoals de motor, de accu of een frame van ‘koolstof’, kunnen de ontvanger-antenne afschermen van de zenderstraling. Het is daarom aan te bevelen om een ontvanger te kiezen met 2 antennes en te zorgen dat die antennes in verschillende richtingen staan, bij voorkeur onder een hoek van ca. 90 graden. Zo zal er altijd ten minste één antenne zijn die de zender ‘ziet’. Alleen de ca. 3 cm aan het uiteinde van de antennedraad is de werkelijke antenne. De rest is afgeschermde draad, die geen enkele bijdrage aan de ontvangst levert. Kort de draad nooit in en zorg dat de draad onbeschadigd en vrij van knikken blijft.

Aantal kanalen

Een kanaal is een uitgang op de ontvanger, waarmee je een bedieningsorgaan op de zender kunt aansturen, bijvoorbeeld de stuurknuppel voor het aansturen van het hoogteroer. Het benodigde aantal kanalen hangt af van de modelzwever. Voor elke besturingsfunctie heb je één of meer kanalen nodig: Hoogteroer (1), Richtingsroer (1), Rolroeren (2), Welfkleppen (2), Spoilers (1 of 2), Motor (1). Kies bij voorkeur een zender met een aantal kanalen dat je in de toekomst voor je modellen denkt nodig zult hebben. In feite geldt dat ook voor de aan te schaffen ontvanger. Deze dient ook het minimaal aantal kanalen van je modelzwever te kunnen bedienen. Hieronder zijn afbeeldingen opgenomen van ontvangers met 8 en met 6 kanalen.


Mode

De onderstaande afbeeldingen laten de besturingsfuncties (stuurknuppels) bij de verschillende modes zien. De meeste Nederlandse modelvliegers gebruiken een mode-1 zender. Kies in ieder geval de mode die binnen jouw modelvliegclub standaard is. Binnen de MCZ vliegen we met mode-1. Dat wil zeggen dat we het gas samen met de rolroeren op de rechter stuurknuppel hebben en het hoogteroer samen met het richtingsroer op de linker stuurknuppel. Het voordeel dat we allemaal met dezelfde mode vliegen is, dat we in geval van problemen elkaar snel kunnen helpen. Een instructeur of een andere modelvlieger kan in een noodsituatie snel jouw zender overnemen. Bij moderne zenders kun je de mode eenvoudig wijzigen.


Zendfrequentie

Hoewel er nog steeds verschillende frequentiebanden gebruikt mogen worden, kunnen we hier kort over zijn: kies een radiobesturing die op de 2,4 GHz-band werkt. Dergelijke radiobesturingen houden rekening met andere zenders binnen de frequentieband. Zo kun je met een gerust hart je zender aanzetten zonder iemand anders te storen of door iemand gestoord te worden.

Telemetrie

Steeds meer radiobesturingen hebben tegenwoordig telemetrie of zijn er op voorbereid. Telemetrie houdt in dat een apparaat in het modelvliegtuig meetgegevens naar de zender terugstuurt. Bijvoorbeeld een variometer die data over de vlieghoogte doorgeeft. Echt nodig is telemetrie niet, maar het is soms erg handig.

Meer informatie over zenders is te vinden in het artikel ‘Onze zenders’ van Arthur Leeuwangh.
Klik hier als je dit artikel wilt inzien.

Servo’s

Een servo is een stuurapparaat dat de instructies vanuit de ontvanger krijgt. De servo zet deze instructies om in een beweging. In een modelvliegtuig zorgen de servo’s bijvoorbeeld voor de uitslagen van de roeren. Servo’s zijn er in vele soorten, maten en kwaliteiten. Om de juiste servo’s voor je model te kiezen, moet je met verschillende zaken rekening houden.


Stelkracht

Hoe groter de roeroppervlakken en/of roeruitslagen en/of hoe sneller het vliegtuig, hoe hoger de stelkracht moet zijn. Meestal geeft de fabrikant van het model een indicatie. Anders kun je kijken naar vergelijkbare modellen.

Steltijd

Een servo moet het liefst zo snel mogelijk de bewegingen van de stuurknuppel volgen. Maar hoe sneller een servo stelt, hoe meer stroom deze trekt.

Analoog en digitaal

Digitale servo’s volgen kleine bewegingen van de stuurknuppel sneller, krachtiger en nauwkeuriger dan analoge servo’s. Maar digitale servo’s trekken wel fors meer stroom.

Afmetingen, gewicht en kwaliteit

* Qua afmetingen zijn er grofweg 4 categorieën servo’s: micro, mini, standaard en groot.
* Het gewicht wordt mede bepaald door het materiaal van de behuizing, de tandwielen (kunststof of metaal) en de lagering van de stel-as (glijlager, enkel kogellagertje of dubbel gelagerd met kogellagertjes). Een goede lagering zorgt dat de stel-as minder (snel) speling heeft.
* Een metalen behuizing voert de warmte beter af dan een kunststof behuizing.
* Metalen tandwielen (‘metal gear’) zijn beter bestand tegen mechanische overbelasting. Maar ze slijten sneller dan kunststof tandwielen.

Voedingsspanning

De meeste servo’s werken op een voedingsspanning tussen 4,8 en 6,0 V. Dat betekent dat de ontvanger gevoed moet worden met 4 NiMH-cellen of met een BEC. Om een 2S Lipo (7,4 V) rechtstreeks te kunnen gebruiken, moet je speciale ‘high voltage’ (HV) servo’s hebben. Ook de ontvanger moet daarvoor natuurlijk geschikt zijn.

Aandachtspunten

* In principe moet je een servo nooit met de hand verdraaien. Zeker bij kleine servo’s kan dit leiden tot schade aan de tandwielen.
* Pas op dat servo’s niet ergens aanlopen, vooral servo’s die soms langere tijd in een bepaalde stand staan (zoals servo’s voor flaps). Een servo die de gewenste eindstand niet kan bereiken, trekt erg veel stroom. Ook kan dit schade aan de tandwielen veroorzaken.

Voor het vervaardigen van dit artikel is gebruik gemaakt van de onderstaande webpagina:
https://www.gmvc.nl/voor_beginners/index.php 

Samengesteld door Jan ter Laak